Bruinvis

De bruinvis is de kleinste walvisachtige van de Noordzee. In de hele Noordzee leven ongeveer 300.000 bruinvissen. Ze kwamen ooit in grote aantallen voor in de Zuiderzee en de Waddenzee, toen daar toen nog veel ansjovis en andere kleine, vette vis te vangen was. Vanaf 1950 werden ze steeds zeldzamer, maar tussen 1995 en 2006 namen de waarnemeningen weer sterk toe. Waarschijnlijk kwam dit door een voedseltekort in de noordelijke Noordzee, waardoor dolfijnen en bruinvissen naar onze streken trokken. Ten westen van Sylt is een bruinvissenreservaat ingesteld omdat daar veel jongen worden geboren.

Bruinvissen hebben een vrij stompe kop, zijn van boven donkergrijs en van onderen wit. Mannetjes worden ruim 1,5 meter lang en wegen zo'n 45 kilo. Vrouwtjes worden vaak groter: tot 1,8 meter en wegen dan 60 kilo. De borstvinnen van een bruinvis zijn zwart en er loopt een donkere streep van de mondhoek naar de flippers. De kleine rugvin is min of meer driehoekig.

Op zee valt het niet mee om een bruinvis waar te nemen. In tegenstelling tot de meeste andere dolfijnen springen bruinvissen bijna nooit boven het water uit, waardoor je meestal niet meer dan het bovenste deel van de rug met de rugvin ziet wanneer het dier boven komt om adem te halen.

Bruinvissen leven solitair of in groepjes van drie tot vijf dieren, soms meer. Als je twee bruinvissen bij elkaar ziet gaat het vaak om een moeder met jong. Tijdens de trek vormen zich zo nu en dan grotere concentraties. Evenals dolfijnen oriënteren bruinvissen zich onder water door middel van echopeiling of 'sonar'.

Paartijd

De paartijd van bruinvissen valt in de periode juni tot begin augustus. Elf maanden later worden de jongen geboren, zodat de geboortepiek in juli valt. Bij de geboorte is het kalf al 70 tot 80 centimeter lang, half zo groot als het moederdier. De vrouwtjes krijgen hun eerste kalf als ze 5 of 6 jaar oud zijn. De meeste bruinviswijfjes krijgen niet ieder jaar een jong. Het kalf wordt tot een maand of acht gezoogd, waarna het overstapt op een dieet van vis, met name grondels.

Voedsel

Het dieet van bruinvissen hangt sterk samen met het voedselaanbod in een gebied. In het Nederlandse deel van de Noordzee eten volwassen bruinvissen kleine bodemvissen, haring, inktvis, wijting en kabeljauw, maar ook krabben en slakken. Op open zee bestaat het dieet vooral uit haring, sprot en makreel. In de Duitse Waddenzee is platvis daarentegen het belangrijkste voedsel. Het eten van platvis kan gevaarlijk zijn: verschillende aangespoelde bruinvissen bleken gestikt te zijn na het eten van te grote platvissen. Tenslotte zijn in de Oostzee grondels de belangrijkste prooi.

Per dag heeft een bruinvis ongeveer 5 kilogram vis nodig, 10% van het lichaamsgewicht. Er is een theorie dat bruinvissen elkaar helpen met het zoeken van voedsel door middel van hun sonarsysteem. Voor deze meestal solitair levende dieren is dit een vreemd verschijnsel. Dit zou op een vorm van 'sociaal foerageren' kunnen duiden. Het is voor te stellen dat het verspreide voorkomen van de groep een middel is om een groter stuk zee af te zoeken.

Verspreiding van de bruinvis

De bruinvis komt voor in alle ondiepe wateren van het noordelijk halfrond. In het oosten van de Atlantische Oceaan is dat van Noorwegen tot West-Afrika. In de Noordzee leven tussen de 267.000 en 465.000 bruinvissen. In Nederland worden de meeste bruinvissen gezien langs de Noord-Hollandse kust en ten noorden en noordwesten van de waddeneilanden. De grootste kans om er een te zien is tussen december en april, dicht onder de kust bij de waddeneilanden. In die periode spoelen er ook meer bruinvissen op het strand aan dan in de rest van het jaar.

Terug van weggeweest

De bruinvis was van oudsher een heel gewone verschijning langs de kust, ook in de Waddenzee, de voormalige Zuiderzee en het deltagebied. Tot in het midden van de vorige eeuw kon men op sommige plaatsen vanaf het land bruinvissen waarnemen, zoals in het Marsdiep. Voor de Tweede Wereldoorlog zwommen ruim 50.000 bruinvissen in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit beeld veranderde tussen de jaren '50 en '80 van de vorige eeuw. In alle kustgebieden van de zuidelijke Noordzee ging de bruinvis sterk achteruit door verontreinigingen (met name PCB's), de toename van de visserij waardoor hun voedsel, minder beschikbaar was, en door het steeds vaker verstrikt raken in de netten van vissers.

Sinds 1995 worden er weer regelmatig bruinvissen langs de kust gezien. De populatie in de zuidelijke Noordzee groeide zo sterk dat dit niet kan komen door het aantal jonge bruinvissen dat geboren wordt. Waarnemingen op zee onderbouwen dit. Uitgebreide tellingen vanaf zeeschepen in 1994 (SCANS) en 2005 (SCANS2) toonden aan dat het totaal aantal bruinvissen in de Noordzee in beide jaren rond de 250.000 dieren schommelde. In 1994 leefde tweederde van de populatie in de noordelijke Noordzee, maar in 2005 was dit omgekeerd en leefde tweederde van de populatie in de zuidelijke Noordzee. Omdat ook de aantallen visetende zeevogels in de noordelijke Noordzee afnemen, nemen onderzoekers aan dat de bruinvissen op zoek zijn gegaan naar nieuwe voedselbronnen. Het gevolg is in ieder geval dat je tegenwoordig in de winter weer relatief makkelijk bruinvissen vanaf het land of vanaf een veerboot kan waarnemen.

Vanaf 2007 nemen de waarnemingen en de strandingen langs de Hollandse kust weer af. Of de bruinvissen weer aan het verhuizen zijn naar de noordelijke Noordzee is nog niet duidelijk.

Strandingen en onderzoek

Wanneer een dode bruinvis aanspoelt wordt hij gemeld bij Naturalis, het nationaal natuurhistorisch museum in Leiden. Naturalis is sinds jaar en dag de plaats waar meldingen van aangespoelde walvisachtigen worden verzameld en verwerkt. Zo veel mogelijk van deze dieren worden geborgen en onderzocht. Levende bruinvissen die te ziek zijn om weer te kunnen worden teruggezet naar zee worden naar SOS Dolfijn, bij het Dolfinarium in Harderwijk, vervoerd, om daar weer op te knappen.

Historisch onderzoek laat zien dat er qua seizoen een verschuiving van de strandingen is opgetreden. Spoelden in de periode van 1930 tot 1965 de meeste bruinvissen op de Nederlandse kust in de zomer aan, sindsdien vinden de strandingen vooral in de herfst en winter plaats. Onderzoek naar de doodsoorzaak van bruinvissen in 2006 liet zien dat de helft van de bruinvissen omgekomen was door verdrinking. Waarschijnlijk komt dit doordat ze tijdens het zoeken naar voedsel op de bodem verstrikt raken in netten van warnetvissers of staandwantvissers.

Onderzoek aan het spek van recent gestrande bruinvissen laat zien dat het een giftige vlamvertrager (hexabroomcyclododecaan) bevat. Deze vlamvertrager wordt gebruikt in isolatieschuim en meubelbekleding. De stof ontregelt de schildklierhormoonhuishouding en de werking van het zenuwstelsel van de bruinvis. Hoewel de stof giftig is, vervangt hij juist eerder gebruikte vlamvertragers. Volgens de onderzoekers is het nog maar de vraag of deze vertrager minder schade aan het milieu veroorzaakt dan de oude.

Slachtoffers van staand-wantvisserij

Deense visserij-waarnemers voeren in 1994 mee met vissers om te zien hoeveel bruinvissen er werden bijgevangen. De aantallen bleken schrikbarend hoog: de eerste schattingen gaan uit van 7000 slachtoffers per jaar.

Het gaat vooral om de staand-wantvisserij, de belangrijkste visserij in Denemarken waarmee vooral tong, tarbot en kabeljauw binnengehaald wordt. De bruinvissen komen af op de vis die in deze netten verstrikt zit. Regelmatig raakt ook de bruinvis verstrikt in het net en verdrinkt dan omdat hij geen adem meer kan halen.

Steeds meer vissers bevestigen onderwaterluidsprekers aan de netten. Deze 'pingers' zenden geluid uit waar bruinvissen bang voor zijn. Vanaf 2007 is het gebruik van pingers verplicht voor de kieuwnetvisserij, behalve voor boten die kleiner zijn dan 12 meter.

Een bruinvis die in een net verstrikt is geraakt kan veel schade aan het net toebrengen. Veel vissers snijden de bruinvis daarom zo snel mogelijk los. Niet zelden worden de vinnen en/of de staart eraf gesneden en worden de ingewanden uit de buik gehaald om de bruinvis te laten zinken.


Walvisluizen zijn parasieten waar bruinvissen mee te maken hebben.

Namen:
Ned: Bruinvis (gewone bruinvis, varken)
Lat: Phocoena phocoena
Eng: Harbour porpoise (common porpoise)
Fra: le marsouin
Dui: Schweinswal (Braunfisch, Meerschwein, Kleiner Tümmler)
Dan: Almindeligt marsvin
Nor: Nise

Weblinks

Site over bruinvisstrandingen in Nederland:
http://www.walvisstrandingen.nl/

Engelstalige website over bruinvissen:
http://phocoena.org/.

Over de bruinvis, met veel links:
http://www.natuurinformatie.nl/ndb.mcp/natuurdatabase.nl/i000869.html

Natuurwetgeving en de bruinvis:
http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/hoofdpagina.aspx?subj=soorten&groep=6&id=1351

Waarnemingen van bruinvissen:
http://www.waarneming.nl/soort.php?id=380&soort=Bruinvis&tab=wn
http://home.planet.nl/~camphuys/Cetacea.html

Samenwerkingsverband voor tellingen van walvis- en dolfijnachtigen op de Noordzee:
http://biology.st-and.ac.uk/scans2/

Bron: de Vleet, Ecomare

naar boven
Zie ook: Noordzeenatura2000, Ecomare, NIOZ, IMARES, VLIZ, Stichting de Noordzee, NIOO, NAM, NWO-ZKO

algen, bruinvis, deltagebied, dolfijnen, energie uit zee, films, fotografie, garnalen, haaien, inktvissen, koudwater koraal, krabben, kwallen, lesmateriaal, natuurbescherming op zee, nederlands continentaal plat, noordzee, roggen, schelpen, vleet, waddenzee, wieren, wrakken, zee, zeedieren, zeehonden, zeeinzicht, zeescheepvaart, zeevissen, zeevisserij, zeevogels