Nonnetje

Het nonnetje leeft ingegraven in de slikkige of zandige zeebodem van het wad en de kustwateren. Hij komt massaal voor en is een belangrijke voedselbron voor wadvogels en -vissen. Schol is een liefhebber van de zuigbuisjes van nonnetjes. Nonnetjes kunnen 6 tot 7 jaar oud worden en graven zich steeds dieper in naarmate ze ouder worden. Ze leven van algen en bacteriën. Schelpen van nonnetjes worden overal op het strand gevonden.
Nonnetjes komen voor langs de kusten van de Noordelijke IJszee en aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. De aanwezigheid in de Noordelijke IJszee zegt iets over de temperaturen die dit schelpdier nog aan kan. In tegenstelling tot veel andere schelpdieren, zoals kokkels, is het nonnetje goed bestand tegen vorst. Daarmee is het nonnetje een betrouwbare voedselbron voor de vogels die de kunst verstaan om nonnetjes op te sporen. Kanoetstrandlopers en mannelijke rosse grutto's zijn daar bijvoorbeeld meesters in. Maar ook bonte strandlopers, scholeksters, en tureluurs speuren de wadplaten af naar bijvoorbeeld nonnetjes. In dieper water hebben eidereenden en grote en zwarte zee-eenden het op de schelpdieren voorzien.
Ontwikkeling van het nonnetje
In het voorjaar plant het nonnetje zich voort. De mannetjes en vrouwtjes spuiten dan met de sifonen respectievelijk hun sperma- en eicellen het water in. De bevruchting vindt dus extern plaats. Na de bevruchting ontwikkelt zich binnen een paar dagen een larfje met schelpje uit de bevruchte eicel. Omdat het schelpje eruit ziet als een hoofdletter D, wordt het ook wel een D-larfje genoemd. Het is dan ongeveer 140 micrometer (éénzevende millimeter) groot. Een paar dagen later heeft de D-larf een velum ontwikkeld: een zwem- en filtreerorgaan, waarmee het zich voortbeweegt door de zee en waarmee het geschikt fytoplankton uit het water filtreert (zie rechtsonder op bovenstaande foto). Het jonge weekdiertje beweegt zich opwaarts door spiraalvormige zwembewegingen, afgewisseld met perioden van rust waarin het schelpje weer naar beneden zakt. Na 2 à 3 weken is de jonge Macoma balthica groot genoeg om zich te gaan vestigen op het wad. Dan ontwikkelt hij een voetje en verdwijnt het velum geleidelijk.
Nonnetjes leven van algen. Met hun zuigbuisje, ook wel sifon genoemd, filteren ze kleine algen uit het water, maar wanneer er weinig voedsel in het water zit gebruikt het schelpdier de sifon ook wel om algen van de bodem te zuigen. Maar dit grazen is niet de favoriete manier van voedsel vergaren. Het dier moet, om te grazen, hoger in de bodem gaan zitten en vergroot daarmee de kans om opgegeten te worden.

Ook gedurende het seizoen verandert de ingraafdiepte van het nonnetje. Van april tot juni is het voedselaanbod hoog genoeg om diep in de grond te blijven zitten en alleen algen uit het water te filteren. In de zomer en het najaar daalt het voedselaanbod zodat het nonnetje de bodem moet gaan afgrazen; het diertje verhuist omhoog. In de winter is er zo weinig voedsel dat het nonnetje wel verder omhoog moet om nog voldoende voedsel te kunnen verzamelen.
Nonnetje gaat achteruit
Op het Balgzand, de wadplaat tussen Den Helder en de Afsluitdijk, gaat het slecht met het nonnetje. Dit is zowel een gevolg van een geringere broedval als van een grotere sterfte van de volwassen schelpdieren.
Weblinks
Meer informatie over het nonnetje in de Waddenzee:
http://www.kennislink.nl/web/show?id=88497
Namen:
Ned: Nonnetje
Lat: Macoma balthica
Eng: Baltic tellin
Dui: Nordische Tellmuschel (Baltische Tellmuschel, Baltische Plattmuschel)
Dan: Østersømusling
Bron: de Vleet, Ecomare