De ecologie van waterplanten
Waterplanten komen in alle soorten en maten voor in zoet water, van de witte waterlelie tot klein kroos. Ze vormen echter niet de belangrijkste basis voor de voedselketen in het zoete water. Die basis wordt gevormd door algen die meestal microscopisch klein zijn. De grote waterplanten zijn wel heel belangrijk, omdat ze voedsel en bescherming bieden aan talloze diertjes en planten die anders niet kunnen overleven in open water.
Waterplanten gedijen het best in stilstaand ondiep water zoals ondiepe plassen, meren en sloten. In stromend water kunnen waterplanten met wortels nog wel goed groeien, maar vrijzwevende soorten spoelen daar weg, tenzij ze vastzitten tussen wortelende planten aan de oever. Als het water te diep of te troebel is krijgen vastzittende waterplanten niet genoeg licht en sterven ze af. Drijvende en zwevende waterplanten zijn hier in het voordeel, omdat ze wel genoeg zonlicht kunnen ontvangen voor de fotosynthese. De diepte en de helderheid van het water hebben dus grote invloed op de samenstelling van de plantengemeenschap.
In schoon water is algenbloei vaak van korte duur omdat er een beperkte hoeveelheid voedingsstoffen aanwezig is. Zijn de voedingsstoffen op, dan stopt de bloei en sterven de cellen af. Binnen een paar dagen zinken de dode of inactieve cellen naar de bodem, waardoor het water weer helder wordt. De waterplanten kunnen nu weer gaan groeien.
In schoon water van de juiste chemische samenstelling komen veel bijzondere dieren, planten en algen naast elkaar voor. Vooral vegetaties met algen uit de groep van de kranswieren zijn hier bekend om.
Effecten van vervuiling
Als er in water een teveel aan voedingsstoffen aanwezig is, kunnen kleine algen een ware plaag vormen. Tijdens algenbloei kan het water zo troebel zijn, dat andere waterplanten niet genoeg licht krijgen om nog te kunnen groeien en soms afsterven. Een teveel aan dode planten kan zuurstofloos water tot gevolg hebben, omdat de zuurstof tijdens het rottingsproces wordt opgebruikt. Sommige soorten bacteriën, blauwalgen en fytoplankton gedijen juist goed onder deze omstandigheden. Zij scheiden soms stoffen uit die giftig zijn voor andere organismen, waardoor zelfs planten doodgaan die boven water uitsteken en die zo aan zuurstof komen.
Aanpassingen van waterplanten
In het water heeft een plant veel minder steunweefsel nodig dan op het land. Waterplanten zijn dan ook niet houtig en hoeven geen dikke stengels te maken. De stengel wordt vooral gesteund door holle delen waar lucht inzit, zodat de stengel gaat drijven. Hun wortels dienen er vooral voor om zich te verankeren, want voedingsstoffen kunnen ook via de bladeren en de stengel uit het water worden opgenomen.
Weblink
Over onderzoek naar het belang van waterplanten in het helder maken van zoet water:
http://www.kennislink.nl/web/show?id=96452
Bron: de Vleet, Ecomare