De bodemfauna in de getijdengebieden

Als een diersoort bestand is tegen de extreme omstandigheden op de bodem van een getijdengebied kan deze profiteren van de grote hoeveelheid voedsel die er tweemaal per dag met het getij wordt aangevoerd. Sommige soorten schelpdieren, wormen en kreeftachtigen verstaan die kunst. De omstandigheden op het wad zijn zo extreem dat er niet veel verschillende diersoorten leven, maar wel vaak enorme aantallen per soort.

Bodemdieren hebben in de getijdengebieden met heel extreme leefomstandigheden te maken. Allereerst vallen de wadplaten twee keer per etmaal droog. De dieren die daar leven moeten daar tegen kunnen en ook tegen sterke wisselingen in temperatuur en zoutgehalte. Sommige dieren vermijden ongunstige omstandigheden door tijdelijk naar elders te vertrekken. Zo trekken garnalen en krabben bij de eb mee naar de geulen en met de vloed terug naar de wadplaten. In het najaar trekken ze naar open zee. Andere dieren beschermen zich tegen de kou door zich diep in te graven. De zeeduizendpoot kruipt in de winter tot 60 centimeter diep weg. Kokkels gaan bevriezing tegen door in hun lichaamsvocht stoffen af te scheiden, die als antivries werken. Toch gaan bij strenge winters veel kokkels dood.
Filteren of grazen?
Veel bodemdieren eten plankton, de vrijzwevende minuscule plantjes en diertjes van de zee, andere eten resten van dode zeebewoners. Bodemdieren zijn op hun beurt voedsel voor andere dieren in zee zoals bodembewonende vissen en sommige vogels. Bodemdieren hebben allerlei methodes ontwikkeld om hun voedsel uit het water te zeven of van de bodem op te zuigen of af te grazen.
Filtreerders zeven voedseldeeltjes uit het water. Zo steken zandkokerwormen tentakels uit hun koker. Ze vangen voedseldeeltjes met een kleverige vloeistof die langs die tentakels loopt. Schelpdieren zoals mosselen verzamelen voedseldeeltjes op het met trilharen bedekte oppervlak van hun kieuwen. Het voedsel wordt met die trilhaartjes naar de mond vervoerd.

Niet alle schelpdieren zijn uitsluitend filtreerders. Nonnetjes bijvoorbeeld hebben een instroomsifo in de vorm van een lang en beweeglijk slurfje, waarmee ze over het bodemoppervlak vegen en als een soort mini-stofzuigertje voedseldeeltjes opzuigen.
Wadpieren nemen hapjes van de bodem om daaruit in het darmkanaal het eetbare te verteren. Om aan voldoende voedsel te komen moeten deze dieren veel zand verwerken. Deze worm leeft in een u-vormige buis. Aan de ene kant van de buis eet het dier zand. In het lichaam worden alle eetbare zaken eruit gehaald. De rest perst de worm aan het andere uiteinde van de gang naar buiten in de vorm van de kronkelige hoopjes die op het wad liggen.
De slijkgarnaal, die in een woongang op het wad leeft, komt af en toe naar buiten om met zijn twee lange antennes het bovenste bodemlaagje af te schrapen. Dat neemt hij mee zijn gang in, waar het zaakje uitgezocht wordt op bruikbaar voedsel. Het niet-eetbare materiaal wordt weer buiten de woongang gedeponeerd.
Grazers onttrekken hun voedsel aan het bodemoppervlak. Zo kruipt het wadslakje over de wadbodem om de ééncellige algjes eraf te grazen.
Rovers en opruimers
In de wadbodem kruipen ook dieren rond die andere bodemdieren eten, dood of levend, zoals de zeeduizendpoot en de zandzager met hun forse kaken. De meeste rovers en opruimers leven op de bodem, zoals garnalen, krabben en vissen. Weinig soorten zijn echte aaseters, maar sommige soorten vlokreeftjes en zeepissebedden hebben zich daar wel in gespecialiseerd. Bacteriën en schimmels zetten het dode organische materiaal om in voedingsstoffen.
Dode algen en zeedieren komen ook op de zeebodem terecht, samen met de uitwerpselen van levende dieren. Dit vormt het voedsel voor grote massa's detrituseters en bacteriën. Deze breken het organische materiaal af tot voedingsstoffen als kiezelzuur, nitraat en fosfaat, die de planten in zee (het fytoplankton) nodig hebben voor hun groei.
Weblinks
Bodemleven in getijdengebieden:
http://www.scheldeschorren.be/flora_en_fauna/?Fauna
Bron: de Vleet, Ecomare