Mail naar de redactie Volg ons op Twitter Volg ons op Hyves

Zeehonden

Ga naar Grijze zeehondGa naar Gewone zeehond

De gewone zeehond en de grijze zeehond zijn vaste bewoners van de Nederlandse kust. Het zijn door verschillende richtlijnen en Conventies beschermde dieren. Als dwaalgasten afkomstig uit noordelijker zeeën komen af en toe ringelrobben, zadelrobben en klapmutsen voor in de zuidelijke Noordzee. Zeehonden maken deel uit van de vinpotigen.

Zeehonden eten voornamelijk vis. Om die in het vaak troebele water te kunnen vinden, gebruiken ze hun snorharen. Daarmee kunnen zeehonden de kleinste bewegingen van het water opvangen, zoals de waterverplaatsing van een zwemmende vis. Ze kunnen waarnemen waar de vis zich bevindt en hem vangen. Zeehonden hebben niet echt een voorkeur voor één soort vis. De soorten die ze eten kunnen, afhankelijk van het aanbod, per seizoen verschillen.

Verspreiding en tellen

De aantallen en leefgebieden van zeehonden in het waddenzeegebied zijn goed bekend. Waarnemingen vanuit boten en vliegtuigen geven hiervan al sinds de jaren zestig een betrouwbaar beeld. Onderzoekers van IMARES tellen acht maal per jaar het aantal zeehonden in de Nederlandse deel van de Waddenzee door de populaties te fotograferen.

Er is ook onderzoek gedaan waarbij zeehonden werden voorzien van zenders. Hierbij is gebleken dat bij de tellingen vanuit een vliegtuig (waarbij alleen de op de zandplaten aanwezige dieren geteld worden) maar circa tweederde van het totale aantal zeehonden daadwerkelijk geteld wordt. Eénderde bevindt zich tijdens de tellingen blijkbaar in het water, zodat zo dat die er bij de tellingen vanuit een vliegtuig moet worden opgeteld.

In het internationale waddengebied leven vooral gewone zeehonden, zo'n 25.000 in 2008 (volwassen dieren en pups). Maar deze zeehonden komen niet alleen in de Waddenzee voor. Ook rond de Schotse eilanden, in de Wash, langs de Engelse, Franse en Belgische kust, in het Skagerrak en langs de zuidkust van Noorwegen worden ze aangetroffen. Grijze zeehonden leven vooral rond de Schotse eilanden, langs de Britse oostkust en in Cornwall. In december 1999 werd zelfs een zeehondenjong voorbij Londen in de Thames gezien. Milieukundigen zien hierin een bewijs dat de Thames schoner wordt. Tot aan het begin van de 19e eeuw waren zeehonden en dolfijnen een normale verschijning in de Thames.

In de Nederlandse Waddenzee heeft zich begin 1990 een kolonie grijze zeehonden gevestigd die inmiddels is uitgegroeid tot de grootste van de Waddenzee, er worden nu (2008) zo'n 1700 dieren geteld. De grootste groepen komen ten westen van Terschelling voor. Elders worden soms enkelingen of kleine groepen gezien. Op de Duitse eilanden Helgoland en Amrum zijn ook kolonies met meer dan een honderd dieren gevestigd. Satellietwaarnemingen van gezenderde zeehonden laten zien dat grijze zeehonden uit de Waddenzee helemaal naar Noord-Schotland kunnen zwemmen. Dit geeft aan dat de zeehonden niet alleen afhankelijk zijn van de Waddenzee en dat het moeilijk is om de hele populatie te tellen.

Zwemmen en duiken

Met een topsnelheid van zo'n 35 en een kruissnelheid van 6 tot 7 kilometer per uur, mag je zeehonden tot de goede zwemmers rekenen. De voorste vinpoten dienen daarbij als het roer; het lichaam en de achterste vinpoten zorgen voor de voortstuwing. Een zeehond zwemt net zo makkelijk op zijn buik als op zijn rug. rechtop als ondersteboven. Het lichaam is volledig aangepast aan de snelheid onder water: het is torpedovormig en oorschelpen zijn afwezig. De neusgaten zijn tijdens het zwemmen steeds gesloten, die gaan alleen open als de zeehond boven water adem haalt.

De Noordzee is niet diep genoeg maar zeehonden blijken honderden meters diep te kunnen duiken. Hierbij zwemt de zeehond de eerste paar minuten actief naar beneden, daarna laat het dier zich in een soort 'glijvlucht' verder naar beneden zakken. Tijdens deze glijvlucht kunnen zeehonden een snelheid van 1 meter per seconde (ruim 3½ kilometer per uur) halen, terwijl ze maar de helft van de hoeveelheid zuurstof verbruiken die ze voor actief zwemmen nodig hebben. Ook walvisachtigen zijn in staat om zulke glijduiken te maken.

Tijdens het opstijgen kunnen zeehonden de ingeademde lucht uit hun longblaasjes pompen, waardoor geen stikstof in het bloed opgenomen wordt. Bij snel opstijgen van grote diepte vormt stikstof belletjes in het bloed. Bij duikers is dit een dodelijke verschijnsel bekend onder de naam caissonziekte.

Op het land

Door alle aanpassingen voor het leven in zee, lijkt de zeehond op het land maar een stuntel: hij kan niet lopen omdat de achterste vinpoten in het verlengde van het lichaam staan. Zeeleeuw-achtigen kunnen hun achterste flippers nog wel min of meer gebruiken als 'achterpoten'; die lopen daarom een stuk beter dan zeehonden. Zeehonden slepen hun lichaam over de grond met behulp van de voorste flippers. Deze beweging wordt 'bobberen' genoemd. Toch zijn ze op korte afstanden redelijk snel.

Slapen

Zeehonden kunnen zowel op het droge als in het water slapen. In het water slapen ze rechtop drijvend als een grote dobber, of horizontaal drijvend aan de oppervlakte. Omdat ze slapen en niet actief zwemmen kunnen ze veel langer onder water blijven dan bij het jagen. Er zijn gevallen bekend van zeehonden die een half uur onder water blijven. Doorgaans blijven ze niet langer dan een kwartier onder water.

Duiken

Om lang en diep te kunnen duiken, is het lichaam van de zeehond aangepast aan het leven onder water. Zijn bloed kan veel meer zuurstof opnemen dan het bloed van een mens, door een hoog gehalte van het zuurstofbindende eiwit hemoglobine in het bloed en myoglobine in de spieren. Beide eiwitten kunnen bovendien beter zuurstof binden dan die bij de mens. Verder heeft een zeehond ook relatief meer bloed (12% van het lichaamsgewicht) dan een mens (7%). Tijdens de duik kan een zeehond zijn hartslag enorm verlagen, van 40 tot minder dan 1 slag per minuut, waardoor er minder zuurstof nodig is. Boven water neemt de hartslag tot 120 slagen per minuut toe om de organen weer van zuurstof te voorzien. Een laag vet zorgt ervoor dat de zeehond niet afkoelt. In de flippers, die minder goed geïsoleerd zijn, wordt het koude bloed uit aders met warm bloed uit de slagaders weer opgewarmd, doordat de bloedvaten met elkaar verstrengeld zijn (zie tekening). Dit voorkomt afkoeling van de zeehond.

Dwaalgasten uit noordelijker streken

Naast de gewone zeehond en de grijze zeehond, die allebei inheems zijn in de zuidelijke Noordzee, komen er nogal eens arctische zeehondensoorten in dit gebied. Ringelrobben zijn daarvan het meest algemeen, zij komen vooral uit de noordelijke Oostzee. Op de tweede plaats staat de zadelrob. In 1987 was er sprake van een invasie van zadelrobben in de zuidelijke Noordzee als gevolg van voedselgebrek in de Barentsz Zee. Veel zeldzamer zijn strandingen van klapmutsen. In 1986 strandden er een aantal klapmutsen op de kusten van Frankrijk, België en Nederland. Deze 'mini-invasie' hield mogelijk verband met een jachtpartij onder de kolonie klapmutsen op het eiland Jan Mayen in de Noordelijke IJszee. Een eenmalige gebeurtenis was de stranding van een vrouwelijke baardrob op 27 juni 1988 in de haven van Yerseke. Verder zijn er de afgelopen eeuw in totaal 6 walrussen aangespoeld, waarvan de laatste op Ameland in januari 1998. Details over strandingen zijn te vinden bij de beschrijvingen van de soorten.

Bedreigingen door de mens

Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw was de jacht de grootste bedreiging voor zeehonden in de Noordzee. Na het stoppen van de grootschalige zeehondenjacht bleken de zeehonden nog steeds bedreigd, nu door de stroom van vervuilende afvalstoffen van land naar zee en door lozingen of ongelukken op zee. Daarnaast bleek ook verstoring door scheepvaart en recreatie problemen te geven. Verder kunnen zeehonden in fuiken en staande netten verdrinken.

Vervuiling van de zee

Elke dag komen afvalstoffen in de Noordzee terecht. Afkomstig van landbouw, industrie en steden vinden deze stoffen hun weg naar de zee via rivieren die in de Noordzee uitmonden; andere afvalstoffen komen in zee terecht door lozingen en ongelukken op zee van schepen en via de lucht als zure regen. Het plankton neemt de giftige stoffen op waardoor ze in de voedselketen terecht komen. Uiteindelijk komen ze via bodemdieren en vissen in de zeezoogdieren terecht. De concentraties gif zijn het hoogst in soorten die dicht bij de kust of in estuaria leven. Dat komt omdat kustwater meer vervuild is dan water verder uit de kust. Stoffen uit het Rijnwater blijven bijvoorbeeld vrijwel onverdund in het Hollandse kustwater.

Een bekend voorbeeld van vergiftiging is de invloed die PCB's eind vorige eeuw hadden op de voortplanting en het immuunsysteem van zeehonden in de Waddenzee.

Rustverstoring

Een ander probleem voor de zeehonden in de Noordzee en Waddenzee is dat het steeds drukker wordt in hun leefgebied. Zo verstoren wadtoeristen en militairen bijvoorbeeld de rust van de zeehonden op het wad. Vooral in de zomer, als de jongen worden geboren, is deze verstoring voor de zeehonden een bedreiging. In de eerste weken kunnen de jongen hun moeder niet missen. In de uren dat de zandplaten droog liggen, drinken ze melk bij hun moeder. Als moeder en kind tijdens het zogen telkens het water worden ingejaagd krijgt het jong een tekort aan moedermelk. Dit heeft ernstige gevolgen, het jong verzwakt en loopt grote kans om ziek te worden of besmet te raken met parasieten. Ook komt het voor dat moeder en kind door verstoring uit elkaar worden gejaagd. De waterpolitie moet in het zomerseizoen gemiddeld vier keer per dag optreden omdat de zeehonden die op de zandplaten liggen door toeristen worden verstoord.

Zeehond versus visser

De hoeveelheid vis die door zeehonden wordt gegeten is aanzienlijk. Daarom wordt de zeehond vaak als bedreiging gezien voor de visserij. In het verleden werden er afschotpremies uitgeloofd voor zeehonden vanwege de schade die ze zouden toebrengen. In Schotland, Noorwegen en Canada gebruikt men dit argument nog steeds voor de beheersjacht ('culling') op zeehonden.

Plaatselijk kan vooral visserij met staand want of fuiken hinder van zeehonden ondervinden. De dieren beschadigen bij het stelen van de vis zowel de netten als de vangst. Ook de Schotse en Noorse zalmkwekerijen worden regelmatig bezocht door grijze zeehonden die graag zalm lusten. Exacte gegevens over de schade zijn moeilijk te geven omdat er grote verschillen zijn tussen de opgaven van de viskwekers ("schade enorm") en de natuurliefhebbers ("schade vrijwel verwaarloosbaar ten opzichte van de omzet van de kwekerijen"). Neutrale bronnen houden een gemiddelde schade van 1 tot 4% van de totale opbrengst aan.

Een ander probleem is de concurrentie tussen zeehonden en visserij om de vis. Onderzoek aan de maaginhoud en de uitwerpselen van zeehonden heeft duidelijk gemaakt dat het dieet van gewone zeehonden voor ongeveer 75% uit vissoorten bestaat die ook voor de visser interessant zijn. Voor grijze zeehonden ligt dat percentage zelfs op 90%. Een kanttekening hierbij is dat het hier gaat om Schots en Deens onderzoek. In die landen wordt bijvoorbeeld zandspiering (50% van het dieet van grijze zeehonden) ook gerekend tot de commercieel interessante soorten. Dezelfde onderzoekers becijferen dat de zeehonden rond Schotland ongeveer 30% van de hoeveelheid kabeljauw die er wordt gevangen opeten, en ongeveer 5% van de vangst aan zandspiering. Andere bronnen komen uit op een percentage van 2 tot 3% zeehondenbuit in de totale kabeljauwvangst. Als gemiddelde wordt geschat dat zeehonden ongeveer 10% van de totale visvangst op de Noordzee voor hun rekening nemen.

Voor de Nederlandse situatie ligt dat percentage lager. Alle Nederlandse gewone zeehonden eten bij elkaar een hoeveelheid vis die overeenkomt met 3,4% van wat de visserij aan land brengt. De zeehonden eten relatief veel jonge bot, een soort die voor de visserij nauwelijks interessant is. Het onderzoek naar het voedselgedrag van de grijze zeehonden is nog niet afgerond, zodat de vergelijking voor deze soort niet nog niet gemaakt kan worden.

De ervaringen met beheersjacht, bijvoorbeeld in Schotland, zijn tot op heden niet echt positief. Bij de zalmkwekerijen konden de jagers vooral vrouwelijke zeehonden afschieten, terwijl de zalmrovers doorgaans jonge mannetjes zijn. Ook moet rekening worden gehouden met het complexe ecosysteem waar de zeehonden in leven. Het afschieten van zeehonden leidt misschien tot een toename van kabeljauw, maar kabeljauw eet zelf ook wijting, schelvis en haring, zodat die soorten indirect onder druk komen te staan door het afschieten van zeehonden.

Verplicht keerwant in fuiken

Een vis die in een fuik is gezwommen vormt een aantrekkelijke buit voor een zeehond. Die zwemt de fuik in om de vis te vangen. Eenmaal in de fuik kan de zeehond er niet meer uit en verdrinkt. In Nederland moeten sinds 1994 alle fuiken in de getijdenwateren uitgerust zijn met een keerwant, waardoor zeehonden er niet meer in kunnen verdrinken. Een keerwant is een grootmazig net in de de ingang van de fuik, waar paling en andere vis wel doorheen kan maar een zeehond niet. Toch verdronken er in 2000 nog altijd zeehonden in fuiken die niet waren uitgerust met het verplichte keerwant.

Weblinks

Onderzoeksrapport naar vermindering van bijvangst van zeehonden in fuiken:

http://www2.alterra.wur.nl/Webdocs/PDFFiles/Alterrarapporten/AlterraRapport1211.pdf

Bescherming in de Waddenzee

De gewone en grijze zeehond staan allebei op de Rode Lijst van zoogdieren. Sinds 1978 vindt elke twee jaar overleg plaats tussen de ministers van de drie Waddenzee-landen Nederland, Duitsland en Denemarken. Tijdens het Waddenzee-overleg in 1988 in Bonn sloten de drie landen het Zeehondenverdrag. Dit verdrag regelt de bescherming van de zeehonden in de Waddenzee. Er werd niet alleen afgesproken om niet meer op de zeehonden te jagen, maar ook beschermde gebieden in te stellen voor de zeehonden in de Waddenzee. Er zijn reservaten aangewezen om verstoring van rustende en zogende zeehonden te voorkomen. Deze gebieden zijn dan ook verboden gebied in de zomer, als de zeehondenjongen geboren en gezoogd worden. In de overige Europese wateren worden de gewone en grijze zeehond beschermd op basis van de EU Habitatrichtlijn (bijlage ll en V), de Conventies van Bonn (Appendix ll, alleen Oostzeepopulaties grijze zeehonden en Waddenzee gewone zeehondenpopulaties) en de Conventie van Bern (Appendix lll).

Weblink

Het Zeehondenverdrag in het Engels:

http://www.waddensea-secretariat.org/management/SMP/Seals-Agreement.pdf

Zeehondenopvang


Het zeehonden-opvangcentrum in Friedrichskoog

Soms worden jonge of zieke zeehonden op de kust gevonden. Deze zeehonden worden opgehaald en verzorgd. Als ze zijn opgeknapt en gezond verklaard, worden ze weer uitgezet. Dit wordt gedaan door speciale opvangcentra. In het waddenzeegebied zijn vijf van deze centra. Het oudste professionele zeehondenopvangcentrum in Nederland is Ecomare, op Texel. De voorloper van dit centrum, het Texels Museum, begon in 1952 voor het eerst op professionele wijze het opvangen en verzorgen van zeehonden. Nu worden door Ecomare jaarlijks 20 tot 30 zeehonden opgevangen en in de Waddenzee uitgezet.


Zeehondencreche Pieterburen

In het Groningse Pieterburen begon men begin jaren zeventig een zeehondencrèche. In Duitsland zijn twee opvangcentra voor zeehonden: in Norden-Norddeich en in Friedrichskoog. Het opvangcentrum in Norden-Norddeich vangt jaarlijks tussen de 20 en 50 zeezoogdieren op. Naast zeehonden worden daar ook walvisachtigen opgevangen. In Denemarken is het Fiskeri- og Søfartsmuseet in Esbjerg uitgerust voor zeehondenopvang, hoewel men dit sinds 1992 niet meer doet, met uitzondering van wetenschappelijk onderzoek. Dit vanwege het Deense verbod dieren vrij te laten die in gevangenschap zijn geweest. Dieren die niet in het wild kunnen overleven worden dan ook afgemaakt of in dierentuinen ondergebracht. Ook buiten het waddenzeegebied zijn enkele opvangcentra. In de Belgische plaats Blankenberge is in 1998 een zeehondenopvang opgericht. Er werden in 2005 29 zeehondenpups opgevangen. Langs de Britse kust zijn er ook een aantal.

Er bestaat veel discussie over zeehondenopvang: is het nog nodig? Waarvoor doen we het? Wordt de zeehondenpopulatie er sterker van of juist zwakker door minder sterke dieren in leven te houden? In Nederland blijkt het voornamelijk een emotionele kwestie te zijn. Terwijl wetenschappers pleiten voor een beperkte opvang, waarbij in elk geval geen zieke zeehonden uit gesloten natuurgebieden mogen worden gered, is er een sterke lobby om toch alle hulpbehoevende zeehonden te helpen. Tegenstanders van opvang zeggen dat hulpverlening in strijd is met inspanningen om de zelfstandige zeehondenpopulatie in het waddengebied te behouden. Voorstanders zeggen dat de Waddenzee allang geen natuurlijk gebied meer is, dus dat opvang geen inbreuk is op het karakter van het systeem. Bovendien vinden ze opvang nodig om kennis over de zeehonden en het ecosysteem te vergroten. Toen minister Veerman in 2003 probeerde de opvang te beperken was de kritiek zo heftig dat hij zijn richtlijnen versoepeld heeft zodat er uiteindelijk weinig is veranderd, de opvang gaat gewoon door.

Jacht op zeehonden in het waddengebied

Zeehonden zijn in het verleden in het Noordzeegebied sterk bejaagd. Ze werden beschouwd als schadelijke dieren. Ze beschadigden de netten en kaapten de vis voor de neus van de beroepsvissers weg. Jagers kregen een premie voor elke afgeschoten zeehond. Om de premie te krijgen moest op het gemeentehuis de rechter flipper worden ingeleverd. Omdat deze werden geregistreerd, was het mogelijk aan de hand van deze gegevens terug te rekenen hoeveel dieren er in 1900, toen de premies begonnen, ongeveer geweest moeten zijn. De aantallen in 1900 zijn geschat tussen de 6000 en 14.000 in het Nederlandse deel van de Waddenzee.

In 1950 leefden er in het Nederlandse deel van de Waddenzee bijna 3000 zeehonden, een aantal ver beneden de bovengenoemde 6000 tot 14.000 dieren als gevolg van de jacht. Vanaf het begin van de jaren vijftig nam de vraag naar zeehondenbont toe en werden elk jaar vrijwel alle jongen gedood. Dit leidde tot een versnelde afname van het aantal dieren in de Waddenzee en het deltagebied.

In 1962 werd in Nederland een algemeen jachtverbod op zeehonden van kracht. Er waren toen nog ongeveer 1100 zeehonden in de Nederlandse deel van de Waddenzee over. Na het instellen van het jachtverbod nam dit aantal langzaam toe. Door verschillende andere bedreigingen duurde deze toename echter niet lang.

In 1975 werd pas in Denemarken en Duitsland een jachtverbod ingesteld. Na een langzaam begin is de populatie tegenwoordig in de hele Waddenzee goed hersteld van de hoge jachtdruk.

Begin 1999 stelde de voorzitter van de Nederlandse Vissersbond dat het vanwege de groei van het aantal zeehonden in de toekomst weer nodig zou kunnen zijn om zeehonden af te schieten. Eind 2003 heeft de Vogelwacht op Terschelling aan Staatsbosbeheer gevraagd om de eilander tradities te blijven respecteren. Daarbij wordt onder meer het jagen op zeehonden als voorbeeld genoemd.

Jacht in het Noordpoolgebied

In Noorwegen wordt gejaagd op volwassen zadelrobben en klapmutsen. De Noorse regering geeft al jaren toestemming voor het vangen van jonge zadelrobben in de Noordelijke IJszee. Als reden wordt gegeven dat deze zeehonden de visstand verkleinen. Maar volgens zeehondendeskundigen heeft het doden van een relatief klein aantal jonge dieren geen regulerend effect, daarvoor zouden er veel meer gedood moeten worden. De echte reden om speciaal op jonge dieren te jagen zou zijn dat de huid van jonge zadelrobben meer oplevert dan de huid van volwassen exemplaren. Vooral in Azië bestaat een bloeiende markt voor zeehondenhuiden. Omdat er niet genoeg gejaagd kan worden in Noorwegen om het toegestane aantal zeehonden te doden mogen toeristen met een jachtvergunning tegenwoordig ook meedoen. Dit komt door een te klein aantal jagers en doordat bij veel wind de zeehondenkopjes niet meer zichtbaar zijn tussen de golven. Het jachtseizoen duurt van maart tot 15 april en er mogen 2100 dieren gedood worden.

Na acties van Greenpeace en andere organisaties tussen 1976 en 1983 werd de jacht op zadelrobben en klapmutsen in Canada gereduceerd. De import van het bont van jonge zeehonden werd verboden in Europa en de VS, waardoor de bontmarkt instortte en zeehonden nauwelijks meer iets opbrachten. In de periode daarna, tussen 1983 en 1995, werden er gemiddeld 'maar' 52.000 zeehonden gedood. Echter, toen de kabeljauwvisserij begin jaren negentig in Canada instortte, werd dit door bepaalde groepen aan de zeehondenpopulatie geweten. De hernieuwde publieke acceptatie van zeehondenjacht en de economische factoren hebben weer tot een flinke toename van de commerciële jacht geleid. De Canadese overheid vindt de jacht nu verantwoord omdat de populatie zadelrobben 5,8 miljoen dieren telt, het dubbele van dat in de jaren zeventig. In Canada mochten er in 2006 325.000 jonge zeehonden gedood worden. In 2007 bepaalde de regering dat er 65.000 jonge zeehonden minder mochten worden afgemaakt. De reden is dat veel ijs te dun is door de ongebruikelijk hoge temperaturen. Daardoor zakken jonge zeehonden, die nog niet kunnen zwemmen, door het ijs en verdrinken. De zeehonden waarop gejaagd wordt zijn overwegend 'beaters', zadelrobben tussen de 3 weken en 1 jaar oud. Jacht op pasgeboren zeehonden met een witte vacht ('white coats') is sinds 1987 verboden. Van de zeehonden wordt niet alleen de vacht gebruikt, maar ook de vetlaag om er olie uit te winnen.

Tijdens de jacht op zadelrobben en klapmutsen in Canada begaan de jagers op grote schaal wreedheden tegen de zeehonden, zo is gebleken uit video-opnamen van de afgelopen vier jaar. In 2001 werden 260 overtredingen van de Canadese wet gefilmd, waaronder het levend villen van zeehonden. Volgens schattingen gebeurt dit levend villen bij zo'n 40% van de gevangen zeehonden. Volgens de jagers wordt 90% van de zeehonden geschoten en niet geknuppeld. Verder vinden ze dat hun optreden vergeleken moet worden met de manier waarop elders vele miljoenen kippen, varkens, koeien en andere huisdieren worden geslacht.

Actievoeren ter plekke wordt door de Canadese regering en door de jagers erg moeilijk gemaakt. SP Tweede Kamerlid Van Velzen was in 2005 naar Canada gegaan om de zeehondenjacht met eigen ogen te bekijken en werd met een mes achterna gezeten door een zeehondenjager.

In Canada mag niet op zeehondenpups gejaagd worden als ze jonger dan twee weken zijn. Daarna verliezen ze hun felbegeerde witte vacht.

De Europese Unie verbiedt de import van zeehondenbont van de Canadese zadelrobben. In Nederland was in april 1999 een meerderheid van de Tweede Kamer voor een importverbod van alle soorten zeehondenpelzen.

Weblinks

Zeehonden (mooie tekeningen) van over de hele wereld:

http://www.vlieberg.nl/dieren/zeehonden/foto.htm

Zeehondenjacht in Canada:

http://www.canadasealhunt.ca.

Actiesite tegen zeehondenjacht in Canada:

http://www.stopdeknuppels.nl

Zeehondenopvang Ecomare:

http://www.Ecomare.nl

Zeehondencrèche Pieterburen:

http://www.zeehondencreche.nl

Seehundstation Friedrichskoog:

http://www.seehundstation-friedrichskoog.de/

Zeehondenopvang in Sleeswijk-Holstein:

http://www.umwelt.schleswig-holstein.de/servlet/is/22606/

Seehundenaufzucht- und Forschungsstation Norden-Norddeich:

http://www.seehundstation-norddeich.de

Stand-by opvangcentrum Fiskeri- og Søfartsmuseet Esbjerg:

http://www.fimus.dk

Opiniestuk over de toekomst van zeehondenopvang:

http://www.kustgids.nl/dossier-zeehond/fr_index.html?/dossier-zeehond/main.html

Leidraad opvang gewone en grijze zeehonden

http://www9.minlnv.nl/servlet/page?_pageid=112&_dad=portal30&_schema=PORTAL30&p_item_id=78728

Bron: de Vleet, Ecomare

naar boven